dinsdag 15 november 2011
In bruikleen krijgen
Wat is een Vestingmuseum zonder vestinggeschut? Weinig natuurlijk. Zo op het eerste gezicht lijkt het erop of we in dat departement niets tekort komen. Wandel je het terrein van het museum op, dan zie je her en der kanonslopen liggen en geschut op diverse soorten affuiten.
Kijk je echter wat beter, dan zie je dat het vrijwel allemaal voorladers zijn, de "ouderwetsche" kanonnen zoals je die van de plaatjes uit de Gouden Eeuw en de Napoleontische tijd kent: een lange, zwarte kanonsloop en zo'n bal achterop (de druif) en twee tappen aan weerskanten die in een affuit komen te liggen en waarmee je het kanon naar boven en beneden kan richten. Aan de voorkant is de loop open en daar gaat dan ook het buskruit, de prop (hooi of doek) en de kanonskogel in. Een voorlader dus.
Maar in de tweede helft van de 19e eeuw komt er een ontwikkeling op gang van achterladers, kanonnen waarbij je een granaat, bestaande uit een voortstuwende lading en een kop (explosief of pantserdoorborend), in zijn geheel aan de achterkant in de kanonsloop steekt.
Dat gaat een stuk sneller dan bij al die losse componenten van de voorlader en de granaten kunnen machinaal worden gemaakt in grote hoeveelheden en naar exacte specificaties. Het bereik en de explosieve kracht van de granaat nemen explosief toe en betekenen het einde van de oude vestingvorm van met aarde bedekte bakstenen gebouwen. Zo'n kanon wil je natuurlijk hebben voor je expositie, om het verhaal van die technische ontwikkeling mee te kunnen vertellen en te illustreren.
Dan ga je op zoek naar zo'n stuk achterlaadgeschut en kom je er achter dat het helemaal nog niet zo makkelijk is om zo'n kanon te vinden, laat staan te verwerven.
Om te beginnen zijn ze, in tegenstelling tot de ouderwetse voorladers, nauwelijks voorhanden. En als ze er al zijn, zijn de vraagprijzen gigantisch en dan moet je ze nog uit Amerika of ergens in Oost-Europa ophalen, met alle kosten en risico's van dien.
Dus benader je de musea in Nederland die dit soort wapens in hun collectie hebben. Geen probleem, er is een collega museum die ons bij die vraag wil helpen.
We raken in gesprek, bekijken de opties, lopen eens door het depot en komen tot de conclusie dat een bepaald type kanon het moet gaan worden.
Dan schrijf je een formeel verzoek, heel officieel op postpapier van het museum. Geen reactie. Je belt eens: "ja, we werken eraan". Half jaar later, nog niks. Je stuurt eens een email om te informeren. Geen antwoord. Weer een half jaar later spreek je de directeur eens aan. Hij zal er achteraan gaan. Een jaar later: niks.
Je bent er niet continu mee bezig, dus weer een half jaar later bel en mail je nog maar eens met het Hoofd Collecties en de conservator.
Nee, ze gaan er nu mee aan de slag.
Ik kan hier nog wel een paar A4'tjes mee vullen, want zo gaat het jaaaaaaaren door!
Maar................ de aanhouder wint. Bijna op de dag af ACHT jaar na mijn eerste verzoek om een bruikleen, komen twee man van een transportbedrijf een heel lief kanonnetje afleveren bij het Vestingmuseum.
Wat moet ik over mijn gewaardeerde collega's zeggen? Ik weet het werkelijk niet. Ook al heeft mijn aanvraag geen prioriteit, al malen de bureaucratische molens bij hen traag, al zijn er nog diverse andere redenen aan te voeren, een responstijd op een bruikleenverzoek van maar liefst acht jaar is toch wat veel van het goede.
En ook al is het Vestingmuseum dan maar een klein museum, we reageren meestal binnen een week op vrijwel elk verzoek. Lang niet alles kan, dan weet de vrager dat toch binnen een paar dagen. Ook dat is klantvriendelijkheid.
Labels:
achterlader,
bruikleen,
klantvriendelijkheid
Abonneren op:
Reacties plaatsen (Atom)

0 reacties:
Een reactie plaatsen