Vestingvisies
Observaties vanuit een museum
dinsdag 3 januari 2012
Experimenteren met cultuur, onderwijs en ondernemen
Begin van het nieuwe jaar. Een jaar waarin we weer veel gaan meemaken in Naarden en het museum. De toekomstplannen van het museum, met verhuizing naar Bastion Oranje, gaan een volgende fase in met de aanbesteding van de adviesdiensten (architect, werktuigbouw-, electra- en bouwkundig adviseurs ed). De samenwerking met Muiderslot en Pampus zal met de nieuwe directies in Muiden opnieuw besproken gaan worden en we gaan een eerste vol seizoen de toeristische markt op met onze VVV in de Utrechtse Poort in Naarden.
Toch zijn het niet die zaken die ik als eerste prioriteit heb. Dat is het experiment dat we in het voorjaar gaan ondernemen met de Reinwardt Academie.
Studenten van de minor 'cultureel ondernemen' zullen in de voorjaarsvakantie het museum overnemen en het een week gaan runnen. Dat is niet alleen spannend voor de studenten, ook voor het Vestingmuseum, haar medewerkers en de vrijwilligers!
Kunnen we alle werkzaamheden met een gerust hart overdragen? Zullen ze het schip drijvend houden? Tegen wat voor problemen lopen we met elkaar op? Best een spannend experiment, zeker als je je bedenkt dat we dit wiel nog helemaal moeten gaan uitvinden. Vooral de deelnemende studenten mogen we niet teleurstellen. Maar ook het publiek dat in de Voorjaarsvakantie het museum gaat bezoeken moet niet het idee krijgen dat ze in het Naarden House of Horror terecht zijn gekomen ;-)
En mochten we nog twijfels over het experiment hebben, sinds zaterdag 8 januari is er geen weg meer terug na publicatie hierover van een bijna paginagroot artikel in de Gooi- en Eemlander, Leidsche Courant en Haarlems Dagblad!
Vanmorgen in overleg met Marjan Otter van de Reinwardt Academie die samen met haar collega's Marc Pil en Bob Crezee de kar vanuit de Academie gaat trekken. Grootste hobbel die we hebben te nemen is vreemd genoeg de enthousiaste deelname van de studenten, het zijn er voor deze minor maar liefst dertig! Waar zetten we die allemaal neer in ons (middel)kleine museum? Normaal werken we met een vaste staf van vijf (waarvan er meestal twee - drie tegelijk binnen zijn) op kantoor en een drietal vrijwilligers in het museumcafé en de technische dienst. Zelfs in het museumcafé is geen plek voor dertig studenten.
Door nu een slimme indeling in werkzaamheden te maken en veel studententeams erop uit te sturen voor werkzaamheden buiten de deur, krijgen we het wel beheersbaar. De vele taken die je als museum met een kleine staf moet vervullen kan je natuurlijk prima verdelen over al de studenten. Als ze zich elk concentreren op één element van het museumwerk, duiken zij er diep in en is het voor ons in de hand te houden.
Om de zoveel tijd wisselen van taak en iedereen krijgt aardig inzicht in de veelzijdigheid en de creativiteit die in zo'n museum een must is om de zaak draaiende te houden.
En ikzelf? Ik ben vooral benieuwd naar de vragen, inzichten en misschien verbazing en verwondering die dit project met zich mee brengt. Een soort interactieve College Tour!
dinsdag 15 november 2011
In bruikleen krijgen
Wat is een Vestingmuseum zonder vestinggeschut? Weinig natuurlijk. Zo op het eerste gezicht lijkt het erop of we in dat departement niets tekort komen. Wandel je het terrein van het museum op, dan zie je her en der kanonslopen liggen en geschut op diverse soorten affuiten.
Kijk je echter wat beter, dan zie je dat het vrijwel allemaal voorladers zijn, de "ouderwetsche" kanonnen zoals je die van de plaatjes uit de Gouden Eeuw en de Napoleontische tijd kent: een lange, zwarte kanonsloop en zo'n bal achterop (de druif) en twee tappen aan weerskanten die in een affuit komen te liggen en waarmee je het kanon naar boven en beneden kan richten. Aan de voorkant is de loop open en daar gaat dan ook het buskruit, de prop (hooi of doek) en de kanonskogel in. Een voorlader dus.
Maar in de tweede helft van de 19e eeuw komt er een ontwikkeling op gang van achterladers, kanonnen waarbij je een granaat, bestaande uit een voortstuwende lading en een kop (explosief of pantserdoorborend), in zijn geheel aan de achterkant in de kanonsloop steekt.
Dat gaat een stuk sneller dan bij al die losse componenten van de voorlader en de granaten kunnen machinaal worden gemaakt in grote hoeveelheden en naar exacte specificaties. Het bereik en de explosieve kracht van de granaat nemen explosief toe en betekenen het einde van de oude vestingvorm van met aarde bedekte bakstenen gebouwen. Zo'n kanon wil je natuurlijk hebben voor je expositie, om het verhaal van die technische ontwikkeling mee te kunnen vertellen en te illustreren.
Dan ga je op zoek naar zo'n stuk achterlaadgeschut en kom je er achter dat het helemaal nog niet zo makkelijk is om zo'n kanon te vinden, laat staan te verwerven.
Om te beginnen zijn ze, in tegenstelling tot de ouderwetse voorladers, nauwelijks voorhanden. En als ze er al zijn, zijn de vraagprijzen gigantisch en dan moet je ze nog uit Amerika of ergens in Oost-Europa ophalen, met alle kosten en risico's van dien.
Dus benader je de musea in Nederland die dit soort wapens in hun collectie hebben. Geen probleem, er is een collega museum die ons bij die vraag wil helpen.
We raken in gesprek, bekijken de opties, lopen eens door het depot en komen tot de conclusie dat een bepaald type kanon het moet gaan worden.
Dan schrijf je een formeel verzoek, heel officieel op postpapier van het museum. Geen reactie. Je belt eens: "ja, we werken eraan". Half jaar later, nog niks. Je stuurt eens een email om te informeren. Geen antwoord. Weer een half jaar later spreek je de directeur eens aan. Hij zal er achteraan gaan. Een jaar later: niks.
Je bent er niet continu mee bezig, dus weer een half jaar later bel en mail je nog maar eens met het Hoofd Collecties en de conservator.
Nee, ze gaan er nu mee aan de slag.
Ik kan hier nog wel een paar A4'tjes mee vullen, want zo gaat het jaaaaaaaren door!
Maar................ de aanhouder wint. Bijna op de dag af ACHT jaar na mijn eerste verzoek om een bruikleen, komen twee man van een transportbedrijf een heel lief kanonnetje afleveren bij het Vestingmuseum.
Wat moet ik over mijn gewaardeerde collega's zeggen? Ik weet het werkelijk niet. Ook al heeft mijn aanvraag geen prioriteit, al malen de bureaucratische molens bij hen traag, al zijn er nog diverse andere redenen aan te voeren, een responstijd op een bruikleenverzoek van maar liefst acht jaar is toch wat veel van het goede.
En ook al is het Vestingmuseum dan maar een klein museum, we reageren meestal binnen een week op vrijwel elk verzoek. Lang niet alles kan, dan weet de vrager dat toch binnen een paar dagen. Ook dat is klantvriendelijkheid.
Labels:
achterlader,
bruikleen,
klantvriendelijkheid
woensdag 26 oktober 2011
De postiljon gaat voor het laatst op pad.......
Vandaag het begin van een bijzondere week, beetje droevige week wel. Zowel Ties Hilgers van het Muiderslot als Nanette Elfring van forteiland Pampus gaan weg. De een met pensioen, de ander naar een nieuwe baan.
Vanmorgen zat ik in het laatste overleg met Ties. Zaterdag is de afscheidsreceptie van Nanette en volgende week donderdag die van Ties.
Voor beiden heb ik de afgelopen jaren enorme bewondering gekregen. Met héél veel inzet, flair en creativiteit hebben ze zowel het slot als het fort verheven in de vaart der volkeren. De een met wat meer middelen dan de ander, maar die vond dan ook wat meer ambtelijke en bureaucratische hobbels op haar weg naar de toekomst.
Beiden met een mooie no nonsense stijl van werken, wars van veel plichtplegingen.
Inhoudelijk hebben ze stappen durven zetten met hun erfgoed. Het Muiderslot is letterlijk opengesneden door routes aan te leggen die historisch niet bestonden, maar nu wel 80% van het Slot bezoekbaar heeft gemaakt voor het publiek. Pampus met een enorme reconstructie van het forteiland, gekoppeld aan de recent opgeleverde multimediale Pampus Exerience. Beiden ook met spannende activiteitenprogramma's waar ik vaak met enige jaloezie naar keek. De 'drijf-in' bioscoop op Pampus bijvoorbeeld, het school en poezieprogramma op het Slot. Lef hebben, risico's durven nemen en dan gewoon doen, dat is de stijl van Ties en Nanette geweest.
Altijd collegiaal bereid je te helpen bij vragen of je een kijkje te gunnen in de eigen keuken.
We werkten samen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en ik vervulde daarin veelvuldig de rol van vertegenwoordiger/afgevaardigde van onze forten in de regio in de overleggen met de Linie. Postiljon d' Amour noemden mijn collega's dat.
Zeker de laatste anderhalf jaar zijn we intensief samen opgetrokken om te zien of we Naarden en Muiden, fort, vesting en kasteel nauwer aan elkaar kunnen koppelen.
Dat proces stopt niet met het vertrek van de dames. Wel zal het anders worden met de heren Bert en Tom in de directiezetels in het Slot en op het eiland.
Ik zal me voor die mannen geen postiljon d' Amour meer noemen, dat kon alleen voor Ties en Nanette.
Vanmorgen zat ik in het laatste overleg met Ties. Zaterdag is de afscheidsreceptie van Nanette en volgende week donderdag die van Ties.
Voor beiden heb ik de afgelopen jaren enorme bewondering gekregen. Met héél veel inzet, flair en creativiteit hebben ze zowel het slot als het fort verheven in de vaart der volkeren. De een met wat meer middelen dan de ander, maar die vond dan ook wat meer ambtelijke en bureaucratische hobbels op haar weg naar de toekomst.
Beiden met een mooie no nonsense stijl van werken, wars van veel plichtplegingen.
Inhoudelijk hebben ze stappen durven zetten met hun erfgoed. Het Muiderslot is letterlijk opengesneden door routes aan te leggen die historisch niet bestonden, maar nu wel 80% van het Slot bezoekbaar heeft gemaakt voor het publiek. Pampus met een enorme reconstructie van het forteiland, gekoppeld aan de recent opgeleverde multimediale Pampus Exerience. Beiden ook met spannende activiteitenprogramma's waar ik vaak met enige jaloezie naar keek. De 'drijf-in' bioscoop op Pampus bijvoorbeeld, het school en poezieprogramma op het Slot. Lef hebben, risico's durven nemen en dan gewoon doen, dat is de stijl van Ties en Nanette geweest.
Altijd collegiaal bereid je te helpen bij vragen of je een kijkje te gunnen in de eigen keuken.
We werkten samen binnen de Nieuwe Hollandse Waterlinie en ik vervulde daarin veelvuldig de rol van vertegenwoordiger/afgevaardigde van onze forten in de regio in de overleggen met de Linie. Postiljon d' Amour noemden mijn collega's dat.
Zeker de laatste anderhalf jaar zijn we intensief samen opgetrokken om te zien of we Naarden en Muiden, fort, vesting en kasteel nauwer aan elkaar kunnen koppelen.
Dat proces stopt niet met het vertrek van de dames. Wel zal het anders worden met de heren Bert en Tom in de directiezetels in het Slot en op het eiland.
Ik zal me voor die mannen geen postiljon d' Amour meer noemen, dat kon alleen voor Ties en Nanette.
Labels:
Muiderslot,
Nanette Elfring,
Pampus,
Ties Hilgers
dinsdag 11 oktober 2011
Niets is simpel
Even mopperen op de nieuwe tijd. De laatste weken heb ik me bezig moeten houden met een veelheid aan beslissingen over het moderniseren van systemen in het museum. Er moet een nieuwe kassa komen, de telefooncentrale zou wel eens vervangen moeten worden, we stellen ons de vraag of we met de administratie af zullen gaan van
stand-alone boekhouden en gaan we een reserveringsprogramma gebruiken in plaats van de papieren agenda?
Tien, vijftien jaar geleden waren dat geen ingewikkelde vragen. Je kocht een nieuwe kassa, prikte die in het stopcontact en ging hem gebruiken. Bij de PTT bestelde je een telefoonlijn (kon wel lang duren zo'n bestelling, dat wel) en sloot er een toestel op aan. Boekhouden deed je op papier en reserveringen voor groepsbezoek maakte je gewoon in de papieren agenda.
Nu zit er aan elke beslissing over de aanschaf een wereld aan gevolgen vast. De kassa moet communiceren met je boekhoudpakket, geschikt zijn voor PIN en de Museumkaart en toch zo eenvoudig in gebruik zijn dat je vrijwilligers ermee overweg kunnen. Het boekhoudpakket moet een koppeling met de kassa's hebben, meteen de facturatie kunnen verwerken, management rapportages kunnen maken en is online boekhouden dan beter en handiger dan het pakket op je lokale PC hebben staan? Een reserveringsprogramma moet integratie met de administratie hebben om meteen te kunnen factureren, moet kunnen communiceren met je rondleiders en schippers om hen direct in te kunnen delen en liefst wil je onderdelen ervan via de website van het museum beschikbaar stellen aan het publiek zodat ze zelf kunnen boeken zonder dat ze het museum hoeven te bellen. En het bellen, gaan we VOIP'en of Skypen? Moet je een 'as soon as possible' responstijd voor service hebben, of is 8 of 24 uurook wel voldoende? Hoeveel voicemailboxen nemen we? En is een 0900 nummer handig of juist niet?
Elke optie roept tientallen vragen op, er is een veelheid aan bedrijven die al die spullen en diensten willen leveren, maar natuurlijk allemaal net even anders en dus lastig vergelijkbaar. In een middelklein museum als het Vestingmuseum heb je niet de expertise in huis om met al die mogelijkheden de juiste en meest geschikte te vinden. Een zoekslag op internet geeft wel veel informatie, maar kan je die wel vertrouwen? En het zoeken en lezen alleen al kost vreselijk veel tijd. Laat staan als je een keuze hebt gemaakt zoals met het reserveringssysteem. Daar zitten inmiddels al heel wat uurtjes uitproberen, spelen, klooien en heen en weer mailen met de leverancier in. En of dit systeem het nu is? Een ander systeem dan maar? Dan beginnen we weer van voor afaan!
Keuzestress is het gevolg. Soms weet je helemaal niet meer wat nu wijsheid is, keuzeblokkade derhalve. Maar niks doen is geen optie omdat de wereld niet stil is blijven staan en je er als museum in moet passen.
Dus neem je een besluit, min of meer weloverwogen en soms een beetje met 'god zegen de greep'. Gelukkig valt het meestal goed uit. Alleen een kassa voor de winkel bleek twee jaar geleden een complete miskoop.
Veel tijd kost het wel, tijd waarvan je denkt dat je die wel beter kan besteden en waarbij je soms wel eens zachtjes verzucht dat het met een ouderwetsch geldkistje, telefoon met draaischijf en papieren agenda evengoed (en misschien wel beter) ging.
stand-alone boekhouden en gaan we een reserveringsprogramma gebruiken in plaats van de papieren agenda?
Tien, vijftien jaar geleden waren dat geen ingewikkelde vragen. Je kocht een nieuwe kassa, prikte die in het stopcontact en ging hem gebruiken. Bij de PTT bestelde je een telefoonlijn (kon wel lang duren zo'n bestelling, dat wel) en sloot er een toestel op aan. Boekhouden deed je op papier en reserveringen voor groepsbezoek maakte je gewoon in de papieren agenda.
Nu zit er aan elke beslissing over de aanschaf een wereld aan gevolgen vast. De kassa moet communiceren met je boekhoudpakket, geschikt zijn voor PIN en de Museumkaart en toch zo eenvoudig in gebruik zijn dat je vrijwilligers ermee overweg kunnen. Het boekhoudpakket moet een koppeling met de kassa's hebben, meteen de facturatie kunnen verwerken, management rapportages kunnen maken en is online boekhouden dan beter en handiger dan het pakket op je lokale PC hebben staan? Een reserveringsprogramma moet integratie met de administratie hebben om meteen te kunnen factureren, moet kunnen communiceren met je rondleiders en schippers om hen direct in te kunnen delen en liefst wil je onderdelen ervan via de website van het museum beschikbaar stellen aan het publiek zodat ze zelf kunnen boeken zonder dat ze het museum hoeven te bellen. En het bellen, gaan we VOIP'en of Skypen? Moet je een 'as soon as possible' responstijd voor service hebben, of is 8 of 24 uurook wel voldoende? Hoeveel voicemailboxen nemen we? En is een 0900 nummer handig of juist niet?
Elke optie roept tientallen vragen op, er is een veelheid aan bedrijven die al die spullen en diensten willen leveren, maar natuurlijk allemaal net even anders en dus lastig vergelijkbaar. In een middelklein museum als het Vestingmuseum heb je niet de expertise in huis om met al die mogelijkheden de juiste en meest geschikte te vinden. Een zoekslag op internet geeft wel veel informatie, maar kan je die wel vertrouwen? En het zoeken en lezen alleen al kost vreselijk veel tijd. Laat staan als je een keuze hebt gemaakt zoals met het reserveringssysteem. Daar zitten inmiddels al heel wat uurtjes uitproberen, spelen, klooien en heen en weer mailen met de leverancier in. En of dit systeem het nu is? Een ander systeem dan maar? Dan beginnen we weer van voor afaan!
Keuzestress is het gevolg. Soms weet je helemaal niet meer wat nu wijsheid is, keuzeblokkade derhalve. Maar niks doen is geen optie omdat de wereld niet stil is blijven staan en je er als museum in moet passen.
Dus neem je een besluit, min of meer weloverwogen en soms een beetje met 'god zegen de greep'. Gelukkig valt het meestal goed uit. Alleen een kassa voor de winkel bleek twee jaar geleden een complete miskoop.
Veel tijd kost het wel, tijd waarvan je denkt dat je die wel beter kan besteden en waarbij je soms wel eens zachtjes verzucht dat het met een ouderwetsch geldkistje, telefoon met draaischijf en papieren agenda evengoed (en misschien wel beter) ging.
Labels:
besluitvorming,
Ict,
moderniseren
zondag 11 september 2011
Hoe beleef je geschiedenis het beste?
Lastige vraag waar ik niet 1, 2, 3 een antwoord op heb. Er zijn waarschijnlijk verschillende antwoorden mogelijk. Soms 'voel' je geschiedenis heel goed op lokatie. Mij staat bij hoe ik op vakantie in Frankrijk in een kasteeltje logeerde en in de muren van de slaapkamer gekraste boodschappen uit de Franse Revolutie aantrof. In zo'n niet museale situatie waar je het verleden gewoon naast je bed leest, waar je met je vingers door de krassen heen kan gaan, voel je het verleden bijna letterlijk.
Een film kan je ook dat gevoel geven, hoewel ik moet zeggen dat mij dat niet vaak overkomt. Vanavond heb ik me zitten ergeren aan de film Alexander ovet het leven van Alexander de Grote. Hollywoodyaans, veel uiterlijkheid, weinig historisch gevoel.
Gisteravond daarentegen wist United 93 me absoluut te grijpen, het verhaal van de vierde airliner die op 9/11 gekaapt werd met de bedoeling het toestel op het Witte Huis neer te laten storten. Documentair, zonder opsmuk of valse heroiek, heel sober gemaakt. Toch is het moeilijk te beschrijven waarom de ene film het wel heeft en de andere niet.
Film (en theater) hebben voor mijn gevoel wel te kampen met een probleem van voortgang, scenes spelen zich af en voor de kijker is er nauwelijks gelegenheid voor reflectie.
Dat kan prima passen in tijdsdruk van historische gebeurtenissen (zoals bij United 93 waar de passagiers het toestel moeten overmeesteren op de kapers voor die de fatale duik naar Washington inzetten). Het is lastig zo'n situatie nogmaals te bekijken of te beleven. In het theater al helemaal, een film zou je terug kunnen spoelen om de scene nogmaals te bekijken.
Ik kom met dit punt omdat ik momenteel 'Somme Mud' van Edward Lynch aan het lezen ben, een verslag van twee jaar in de loopgraven van Noord-Frankrijk in de Eerste Wereldoorlog, in 1921 beschreven door Lynch die er in 1916-1918 als jongen uit Australië bij was.
Lynch schrijft zo goed en weet zo treffend het leven in de loopgraven te pakken in woorden dat het voor mij het gevoel geeft 'zo moet het zijn geweest'.
Een verhaal zonder heroiek, een leven in kou, regen, alomvattende modder, een vijand zonder haat, waar de dood zomaar uit de lucht kon komen vallen, waar overleven puur toeval of geluk was en geluk een extra pakje sigaretten of een half uur slaap in een modderige dugout.
Een (goed) boek geeft je feitelijkheden, een verhaal, maar geeft ook lucht aan je eigen fantasie, iets wat een film veel minder kan doen. Je kan het verhaal pauzeren, makkelijk een passage teruglezen, even kauwen op een stuk tekst, zinnen proeven door ze hardop te lezen. Kortom, veel actiever met het verhaal bezig zijn dan in het (passief) consumeren van film of theater.
En een museum dan? Waar staat een museum in die vergelijking? Lastig omdat een museum vaak een gemaakte omgeving is, een plaats waar het verhaal in een keurslijf is gedwongen en er weinig tot geen ruimte is voor de eigen interpretatie van de bezoeker. In een museum hebben we niet de rust om het verhaal in boekvorm (teksten) tot ons te nemen. Museumbezoekers haken héél snel af bij lappen tekst.
Wel heb je de gelegenheid het verhaal nog eens opnieuw tot je te nemen, je loopt gewoon een paar meter terug en bekijkt de expositie nogmaals.
Misschien is het de combinatie waar je naar moet streven. Pak mensen met aansprekende beelden, visuele verhalen (omdat ze niet de tijd of rust willen of kunnen nemen), intrigerende voorwerpen en locaties en verleid ze vervolgens thuis verder in de materie te duiken met goeie boeken die voor verdieping zorgen.
Maak het museumkaartje iets duurder en geef elke bezoeker Het boek met het verhaal van jouw museum mee. Als E-book nog beter omdat je dan geen ongewenste zaken aan je bezoeker meegeeft die meteen in de rullenbak verdwijnen.
Een film kan je ook dat gevoel geven, hoewel ik moet zeggen dat mij dat niet vaak overkomt. Vanavond heb ik me zitten ergeren aan de film Alexander ovet het leven van Alexander de Grote. Hollywoodyaans, veel uiterlijkheid, weinig historisch gevoel.
Gisteravond daarentegen wist United 93 me absoluut te grijpen, het verhaal van de vierde airliner die op 9/11 gekaapt werd met de bedoeling het toestel op het Witte Huis neer te laten storten. Documentair, zonder opsmuk of valse heroiek, heel sober gemaakt. Toch is het moeilijk te beschrijven waarom de ene film het wel heeft en de andere niet.
Film (en theater) hebben voor mijn gevoel wel te kampen met een probleem van voortgang, scenes spelen zich af en voor de kijker is er nauwelijks gelegenheid voor reflectie.
Dat kan prima passen in tijdsdruk van historische gebeurtenissen (zoals bij United 93 waar de passagiers het toestel moeten overmeesteren op de kapers voor die de fatale duik naar Washington inzetten). Het is lastig zo'n situatie nogmaals te bekijken of te beleven. In het theater al helemaal, een film zou je terug kunnen spoelen om de scene nogmaals te bekijken.
Ik kom met dit punt omdat ik momenteel 'Somme Mud' van Edward Lynch aan het lezen ben, een verslag van twee jaar in de loopgraven van Noord-Frankrijk in de Eerste Wereldoorlog, in 1921 beschreven door Lynch die er in 1916-1918 als jongen uit Australië bij was.
Lynch schrijft zo goed en weet zo treffend het leven in de loopgraven te pakken in woorden dat het voor mij het gevoel geeft 'zo moet het zijn geweest'.
Een verhaal zonder heroiek, een leven in kou, regen, alomvattende modder, een vijand zonder haat, waar de dood zomaar uit de lucht kon komen vallen, waar overleven puur toeval of geluk was en geluk een extra pakje sigaretten of een half uur slaap in een modderige dugout.
Een (goed) boek geeft je feitelijkheden, een verhaal, maar geeft ook lucht aan je eigen fantasie, iets wat een film veel minder kan doen. Je kan het verhaal pauzeren, makkelijk een passage teruglezen, even kauwen op een stuk tekst, zinnen proeven door ze hardop te lezen. Kortom, veel actiever met het verhaal bezig zijn dan in het (passief) consumeren van film of theater.
En een museum dan? Waar staat een museum in die vergelijking? Lastig omdat een museum vaak een gemaakte omgeving is, een plaats waar het verhaal in een keurslijf is gedwongen en er weinig tot geen ruimte is voor de eigen interpretatie van de bezoeker. In een museum hebben we niet de rust om het verhaal in boekvorm (teksten) tot ons te nemen. Museumbezoekers haken héél snel af bij lappen tekst.
Wel heb je de gelegenheid het verhaal nog eens opnieuw tot je te nemen, je loopt gewoon een paar meter terug en bekijkt de expositie nogmaals.
Misschien is het de combinatie waar je naar moet streven. Pak mensen met aansprekende beelden, visuele verhalen (omdat ze niet de tijd of rust willen of kunnen nemen), intrigerende voorwerpen en locaties en verleid ze vervolgens thuis verder in de materie te duiken met goeie boeken die voor verdieping zorgen.
Maak het museumkaartje iets duurder en geef elke bezoeker Het boek met het verhaal van jouw museum mee. Als E-book nog beter omdat je dan geen ongewenste zaken aan je bezoeker meegeeft die meteen in de rullenbak verdwijnen.
Labels:
geschiedbeleving
zondag 4 september 2011
Wat mag ons verleden kosten?
Een klein berichtje in de Erfgoedstem van vorige week: "grote zorg om verkoop monumenten door rijk" maar potentieel met grote gevolgen voor het erfgoed in Nederland.
Momenteel vallen veel grote, 'lastige' en daarmee ook kostbaar in beheer en onderhoud zijnde monumenten onder de Rijksgebouwendienst. Met het aantreden van het kabinet Rutte valt de RGD onder Binnenlandse Zaken en minister Donner. Deze heeft nu het voornemen een groot aantal markante monumenten waar geen rijksgebruiker in huist af te stoten, naar de huidige gebruiker of een andere, private, partij.
Veelal zijn het beeldbepalende monumenten, met een directe verbinding naar personen of gebeurtenissen uit ons verleden. Zo is Trompenburgh in 's Gravenland
het verblijf van Cornelis Tromp, luitenant-admiraal van de Republiek. Het huis is in 1936 door de toenmalige eigenaar geschonken aan de staat met als voorwaarde "passende bewoning". Wat moet het rijk met zo'n gebouw? Verkoop aan een particulier of bedrijf die er iets mee wil zal zo'n partij noodzaken tot ingrepen die waarschijnlijk haaks staan op het behoud van het erfgoed. Het landhuis is grotendeels van hout en daarmee kostbaar in onderhoud.
Wat opgaat voor Tromenbrugh, is mutatis mutandis van toepassing op vele andere monumenten: bijvoorbeeld de in de Erfgoedstem genoemde Schotse Huizen
in Veere, het Maarten van Rossumhuis in Zaltbommel (in 1881 net van de sloop gered!) en dan ook de vesting Naarden.
Moeten we de zaak niet omdraaien en stellen dat we deze monumenten van nationaal http://www.blogger.com/img/blank.gifbelang willen beheren en behouden en er een zo'n passend mogelijke bestemming voor zoeken die recht doet aan het gebouw? Niet alleen geniet iedereen als burger van dit land van de visuele en historische waarde van het monument, het zou een enorme kapitaalvernietiging zijn (zowel letterlijk als figuurlijk) als je dit soort monumenten zou laten vergaan en zo van heel Nederland één grote vinexwijk zou maken.
Wat is de toegevoegde waarde van historische bebouwing en wat mag het ons kosten om dat te behouden? Voor musea is dat recent uitgezocht en te lezen in "De schat van de stad"
Voor monumenten zal dat zeker ook opgaan en naar mijn idee een veel directer effect hebben omdat je een museum toch op zijn minst eerst in moet gaan om er van te genieten terwijl een monument 24/7 'waarde' af staat te geven in schoonheid, beleving en uitstraling.
Maak dus werk van de monumenten en laat ze niet verkommeren. We willen toch niet alleen dit om ons heen zien!
Momenteel vallen veel grote, 'lastige' en daarmee ook kostbaar in beheer en onderhoud zijnde monumenten onder de Rijksgebouwendienst. Met het aantreden van het kabinet Rutte valt de RGD onder Binnenlandse Zaken en minister Donner. Deze heeft nu het voornemen een groot aantal markante monumenten waar geen rijksgebruiker in huist af te stoten, naar de huidige gebruiker of een andere, private, partij.
Veelal zijn het beeldbepalende monumenten, met een directe verbinding naar personen of gebeurtenissen uit ons verleden. Zo is Trompenburgh in 's Gravenland
Wat opgaat voor Tromenbrugh, is mutatis mutandis van toepassing op vele andere monumenten: bijvoorbeeld de in de Erfgoedstem genoemde Schotse Huizen
in Veere, het Maarten van Rossumhuis in Zaltbommel (in 1881 net van de sloop gered!) en dan ook de vesting Naarden.
Moeten we de zaak niet omdraaien en stellen dat we deze monumenten van nationaal http://www.blogger.com/img/blank.gifbelang willen beheren en behouden en er een zo'n passend mogelijke bestemming voor zoeken die recht doet aan het gebouw? Niet alleen geniet iedereen als burger van dit land van de visuele en historische waarde van het monument, het zou een enorme kapitaalvernietiging zijn (zowel letterlijk als figuurlijk) als je dit soort monumenten zou laten vergaan en zo van heel Nederland één grote vinexwijk zou maken.
Wat is de toegevoegde waarde van historische bebouwing en wat mag het ons kosten om dat te behouden? Voor musea is dat recent uitgezocht en te lezen in "De schat van de stad"
Voor monumenten zal dat zeker ook opgaan en naar mijn idee een veel directer effect hebben omdat je een museum toch op zijn minst eerst in moet gaan om er van te genieten terwijl een monument 24/7 'waarde' af staat te geven in schoonheid, beleving en uitstraling.
Maak dus werk van de monumenten en laat ze niet verkommeren. We willen toch niet alleen dit om ons heen zien!
donderdag 16 juni 2011
Erfgoed & crowdsourcing
Vandaag organiseerde Komjeook een dag over crowdsourcing in De Duif in Amsterdam.
Bij crowdsourcing maak je gebruik van het publiek om projecten te realiseren, soms door hen om geld te vragen (crowdfunding), soms ook door hen te vragen werk te doen voor je project zoals het overtypen van namen uit archiefstukken (zoals het Amsterdams Archief doet met namen uit de Nationale Militieregisters).http://www.blogger.com/img/blank.gif
Het maakt veel los merkten we als deelnemers aan de dag, vooral de gun- en funfactor van een crowdsourcingproject moet hoog zijn om te kunnen slagen.

Een beginnend en succesvol Nederlands initiatief is Voor de Kunst, een platform voor crowdfunding van diverse kunstenaarsinitiatieven. Roy Cremers van "Voor de Kunst" liet zien hoe relatief kleinschalige en concrete projecten van de grond getrokken kunnen worden. In het eerste halfjaar na oprichting van VdK zijn al 11 projecten tot financiering gekomen met een totaal van 100.000,- euro aan geworven fondsen!
Het zette me aan het denken. Niet alleen zou je zo projecten in musea kunnen realiseren (exposities, educatie en dergelijke), het geeft het publiek ook een directe invloed, een stem in wat het wil dat het museum doet! Stel je voor dat je drie ideeën voor tentoonstellingen openstelt voor crowdfunding. Je publiek stemt dan met donaties welke van de drie exposities er gaat komen. Letterlijk luisteren naar wat het publiek wil! Met micro-betalingen zou je publiek zelfs invloed kunnen geven welke objecten in zo'n expositie mogen komen. Voor 0,50 euro kies, stem en betaal je voor een object uit een bepaalde serie voorwerpen. Het object met de meeste stemmen komt dan in de vitrine.
De zo gemaakte exposities en evenementen zou je via het platform van "Voor het Erfgoed" (de in te stellen tegenhanger van "Voor de Kunst") aan elkaar kunnen hangen en zo tot het virtuele, maar geheel door het Nederlands publiek gemaakte/betaalde, Nationaal Museum kunnen maken. Fysiek en virtueel is het dan echt een museum 'Van het Volk, voor het Volk', hoewel me dat wel weer erg socialistisch heilstaterig in de oren klinkt.
Het lijkt me wel een weg die, naast de somberheid bij alle bezuinigingen, voor een nieuw elan in de cultuur- en erfgoedwereld kan zorgen.
Bij crowdsourcing maak je gebruik van het publiek om projecten te realiseren, soms door hen om geld te vragen (crowdfunding), soms ook door hen te vragen werk te doen voor je project zoals het overtypen van namen uit archiefstukken (zoals het Amsterdams Archief doet met namen uit de Nationale Militieregisters).http://www.blogger.com/img/blank.gif
Het maakt veel los merkten we als deelnemers aan de dag, vooral de gun- en funfactor van een crowdsourcingproject moet hoog zijn om te kunnen slagen.

Een beginnend en succesvol Nederlands initiatief is Voor de Kunst, een platform voor crowdfunding van diverse kunstenaarsinitiatieven. Roy Cremers van "Voor de Kunst" liet zien hoe relatief kleinschalige en concrete projecten van de grond getrokken kunnen worden. In het eerste halfjaar na oprichting van VdK zijn al 11 projecten tot financiering gekomen met een totaal van 100.000,- euro aan geworven fondsen!
Het zette me aan het denken. Niet alleen zou je zo projecten in musea kunnen realiseren (exposities, educatie en dergelijke), het geeft het publiek ook een directe invloed, een stem in wat het wil dat het museum doet! Stel je voor dat je drie ideeën voor tentoonstellingen openstelt voor crowdfunding. Je publiek stemt dan met donaties welke van de drie exposities er gaat komen. Letterlijk luisteren naar wat het publiek wil! Met micro-betalingen zou je publiek zelfs invloed kunnen geven welke objecten in zo'n expositie mogen komen. Voor 0,50 euro kies, stem en betaal je voor een object uit een bepaalde serie voorwerpen. Het object met de meeste stemmen komt dan in de vitrine.
De zo gemaakte exposities en evenementen zou je via het platform van "Voor het Erfgoed" (de in te stellen tegenhanger van "Voor de Kunst") aan elkaar kunnen hangen en zo tot het virtuele, maar geheel door het Nederlands publiek gemaakte/betaalde, Nationaal Museum kunnen maken. Fysiek en virtueel is het dan echt een museum 'Van het Volk, voor het Volk', hoewel me dat wel weer erg socialistisch heilstaterig in de oren klinkt.
Het lijkt me wel een weg die, naast de somberheid bij alle bezuinigingen, voor een nieuw elan in de cultuur- en erfgoedwereld kan zorgen.
Labels:
crowdfunding,
crowdsourcing,
voor het erfgoed
Abonneren op:
Berichten (Atom)


